Ga naar de inhoud
NieuwsPublicatiedatum: 26 februari 2026

Blinde vlekken in het meten van hongersnood: statistiek vertraagt humanitaire actie

dr. IJJ (Ingrid) de Zwarte
Universitair Hoofddocent

Hongersnood wordt nog steeds gemeten alsof de wereld niet is veranderd. Door vast te houden aanvaste sterftedrempels lopen huidige classificatiesystemen het risico massale uithongering pas te erkennen wanneer het al te laat is. Ingrid de Zwarte betoogt dat deze benadering hongersnood in moderne conflicten structureel onderschat en pleit voor een fundamentele herziening van de manier waarop we extreme honger definiëren en meten.

In een Correspondence in The Lancet leggen De Zwarte en collega’s uit waarom de huidige maatstaven tekortschieten om de werkelijke impact van hongersnood adequaat weer te geven. Sterftecijfers lijken objectief en doorslaggevend, maar het zijn grove instrumenten. Ze weerspiegelen vaak het eindstadium van een crisis in plaats van het begin ervan. Tegen de tijd dat sterftecijfers een officiële drempel overschrijden, kunnen maanden van ontbering al zijn verstreken.

Gaza legt structurele zwaktes bloot

De recente situatie in Gaza illustreert het probleem. In augustus 2025 stelde de Integrated Food Security Phase Classification, het wereldwijde systeem dat voedselonzekerheid indeelt in vijf fasen, hongersnood vast in het gouvernement Gaza. Dat gebeurde na maanden van herhaalde waarschuwingen van humanitaire organisaties en medische professionals. In december werd die classificatie weer ingetrokken, omdat enkele kernindicatoren onder de officiële drempel waren gezakt.

Volgens De Zwarte heeft Gaza structurele zwaktes in het huidige systeem blootgelegd. De IPC-drempel voor fase 5 vereist dat de sterfte hoger is dan twee sterfgevallen per 10.000 mensen per dag. In een lager middeninkomensgebied met een hoge verstedelijkingsgraad zoals Gaza zou de totale sterfte meer dan twintig keer moeten stijgen om dat niveau te bereiken. In landelijk Somalië of Zuid-Soedan volstaat een stijging van zes- of zevenvoud. Dezelfde numerieke norm leidt dus tot sterk uiteenlopende praktische gevolgen afhankelijk van de context.

Deze verschillen hangen samen met de oorsprong van het systeem. De sterftecriteria zijn oorspronkelijk ontwikkeld voor noodsituaties op het Afrikaanse platteland. Door ze wereldwijd toe te passen, wordt impliciet aangenomen dat samenlevingen vergelijkbare basissterfte, bevolkingsopbouw en gezondheidssystemen hebben. Die aanname houdt geen stand.

Sterfte is een laat signaal

De Zwarte laat op basis van historisch onderzoek zien dat sterfte een late indicator van hongersnood is. Tijdens de Hongerwinter van 1944-45 daalden voedselrantsoenen maandenlang onder het bestaansminimum, voordat het sterftecijfer begon te stijgen. Uithongering voltrok zich geleidelijk en trof eerst lichaamsgewicht, fysieke kracht en gezondheid, ruim voordat dit zichtbaar werd in sterftestatistieken.

Andere vroege waarschuwingssignalen, zoals een dalend geboortegewicht, ontbreken in de huidige classificatiesystemen. Geboortegewicht is een gevoelige indicator voor ondervoeding bij moeders. Wanneer baby’s kleiner worden geboren, wijst dat vaak op voedingsstress die zich al maanden heeft opgebouwd. Het negeren van zulke signalen beperkt ons zicht op wat er werkelijk gaande is.

Leeftijdspatronen in historisch perspectief

Historische hongersnoden zetten ook vraagtekens bij aannames over welke groepen het grootste risico lopen. Op basis van voorbeelden uit Nederland, Oekraïne, Griekenland en Soedan laat De Zwarte zien dat relatieve sterftestijgingen minstens zo belangrijk zijn als absolute sterftecijfers.

“De IPC richt zich vooral op kinderen onder de vijf jaar en hanteert een drempel van meer dan vier sterfgevallen per 10.000 kinderen per dag. Toch steeg in veel historische hongersnoden de sterfte onder kinderen van vijf tot veertien jaar in relatieve zin sterker. Tijdens de Hongerwinter verviervoudigde de zuigelingensterfte en nam de sterfte onder kinderen van één tot vier jaar zelfs zevenvoudig toe. Desondanks zou de Nederlandse hongersnood in absolute zin niet hebben voldaan aan de huidige IPC-drempel voor sterfte onder kinderen jonger dan vijf jaar.”

Wie uitsluitend naar absolute sterftecijfers kijkt, kan daardoor missen hoe snel de situatie binnen specifieke groepen verslechtert. Relatieve stijgingen, die laten zien hoeveel de sterfte toeneemt ten opzichte van normale niveaus, kunnen een contextgevoeliger signaal geven.

Het risico van politisering

In conflictsituaties zijn gegevens zelden neutraal. Demografische informatie kan onvolledig zijn, worden achtergehouden of gemanipuleerd. Wanneer de erkenning van hongersnood strikt afhangt van sterftedrempels, kunnen overheden en strijdende partijen er belang bij hebben om gegevens die internationale actie zouden uitlokken in twijfel te trekken of te vertragen.

De Zwarte waarschuwt dat dit een structureel risico op ondererkenning creëert. Als classificatiesystemen steunen op indicatoren die traag reageren en politiek omstreden zijn, kan grootschalige uithongering officieel onzichtbaar blijven.

Naar gevoeligere indicatoren

Daarom pleiten De Zwarte en haar coauteurs voor het systematisch verzamelen van gevoeligere indicatoren van hongersnood. Eerdere en meer genuanceerde metingen kunnen humanitaire interventies tijdiger en nauwkeuriger onderbouwen.

De Correspondence in The Lancet werd geschreven samen met Alex de Waal en L H Lumey. De Zwarte is universitair hoofddocent bij de leerstoelgroep Economische en Milieugeschiedenis. Door historisch bewijs in te brengen in een actueel debat daagt ze beleidsmakers uit om opnieuw na te denken over wat het betekent om hongersnood uit te roepen en, cruciaal, wanneer er moet worden gehandeld.

Lees de Correspondence in The Lancet hier.

Heeft u een vraag?

Heeft u een vraag rondom dit onderwerp of ziet u kansen om met ons samen te werken? Neem dan contact op met onze expert.  

dr. IJJ (Ingrid) de Zwarte

Universitair Hoofddocent